Wist u dat...? Opmerkelijke feiten over de Nederlandse democratie | Meer Democratie

Wist u dat...? Opmerkelijke feiten over de Nederlandse democratie

Wist u dat...

…Nederland de laatste democratie in Europa was waar een referendum werd gehouden?

Toen op 1 juni 2005 het raadplegend referendum over de Europese grondwet werd gehouden, was Nederland niet alleen hekkensluiter in Europa, maar ook één van de enige vijf landen ter wereld waar tot dan toe nog nooit een referendum was geweest op nationaal niveau. De andere landen waren: De Verenigde Staten, India, Japan en Israël.

...Thorbecke een volksstemming wilde invoeren over grondwetswijzigingen?

Daarom regelde hij in de grondwet dat er, nadat de Tweede Kamer had besloten over een grondwetswijziging, er nieuwe verkiezingen zouden komen die alleen maar over de grondwetswijziging gingen zodat burgers in feite een grondwetgevende vergadering zouden kiezen die dan het mandaat had om de grondwet definitief te wijzigen? Sinds 1922 laten ze deze speciale grondwetsverkiezingen echter “slinks” (dixit Patrick van Schie, directeur wetenschappelijk bureau VVD) samenvallen met de algemene verkiezingen. Zodat de grondwetswijziging ondersneeuwt in het algemene verkiezingsgeweld...

...99,999 procent van de stemmen in de Tweede Kamer via de partijlijn wordt uitgebracht?

Dat is geen grap of een schatting, maar feitelijk geteld (over de periode 2013-2016) door de mensen van Datagraver, waar weblog Sargasso over berichtte. Dat wijst er op dat partijen regelmatig grote druk leggen op Kamerleden om te stemmen zoals hen gezegd wordt. Anders is het niet mogelijk om zulke cijfers te halen (in Noord-Korea lukt ze dat niet!). Met andere woorden, de grote politieke besluiten worden in Nederland door 20 á 30 mensen genomen.

En dat is een probleem, want onze grondwet (art. 50 en 67) stelt dat Kamerleden niet een bepaalde factie of partij vertegenwoordigen, maar het hele Nederlandse volk, en dat zij zonder last – ofwel individueel en naar eigen eer en geweten – dienen te stemmen. Want Thorbecke wantrouwde de politieke partijen, vond hen schadelijk voor het land en wilde niet dat zij teveel macht zouden krijgen. Hij gaf de politieke partijen bewust GEEN staatkundige rol in de grondwet.

…Rutte III het eerste meerderheidskabinet is dat geen meerderheid haalde bij de verkiezingen?

In het buitenland is het eerder regel dan uitzondering dat coalitiepartijen tijdens de verkiezingen geen meerderheid van de stemmen haalden, maar door kiesdrempels en districtenstelsel behalen zij alsnog een meerderheid in het parlement. In Nederland is dat wel anders. Door de radicale evenredigheid van het Nederlandse kiesstelsel is het parlement een bijna perfecte afspiegeling van de verkiezingsuitslag. In Nederland is een meerderheid in het parlement ook een meerderheid van de stemmen. Althans…bijna altijd. Bij de verkiezingen van 2017 behaalden de coalitiepartijen van kabinet-Rutte III 49,29% van de stemmen. Rutte III is daarmee het eerste meerderheidskabinet dat berust op een minderheid van de kiezers. Door de verdeling van een restzetel behaalden zij alsnog de felbegeerde 76e zetel.

…Er sinds 1922 slechts 16 mensen echt op eigen kracht zijn gekozen in de Tweede Kamer?

Sinds 1922 zijn er duizenden Nederlanders in de Tweede Kamer verkozen. Bijna altijd hadden zij hun zetel te danken aan hun verkiesbare plaats op de kandidatenlijst. Ondanks dat we in Nederland altijd op een kandidaat op een kandidatenlijst stemmen (voorkeurstemmen) en niet op een partij. Dit komt doordat de lijstvolgorde in beginsel bepalend is bij het toewijzen van zetels aan kandidaten. Pas als een kandidaat boven de voorkeursdrempel (tegenwoordig: 25% van het aantal stemmen dat nodig is voor een zetel) uitkomt, bepaald het aantal voorkeurstemmen wie in de Kamer komt.

De meeste stemmen op de lijsttrekker, de eerste vrouw of andere prominente kandidaten die toch al op een verkiesbare plek stonden. De meeste kandidaten komen niet eens in de buurt van de voorkeursdrempel, degenen die dat wel doen zouden door hun hoge plaats toch al zijn gekozen. Sinds 1922 zijn er maar zestien kandidaten op een onverkiesbare plek geweest die dankzij voorkeurstemmen zijn gekozen.

Bekende voorbeelden zijn Hilbrand Nawijn (LPF) in 2003, Pieter Omtzigt (CDA) in 2012 en Liliane Ploumen (PvdA) en Maurits von Martels (CDA) in 2017. In 2017 slaagde de campagne Stem op een vrouw erin om drie vrouwen op een onverkiesbare plaats verkozen te krijgen. Nog nooit waren er zoveel Kamerleden die op eigen kracht zijn gekozen als in 2017.

…De voorkeursdrempel werd ingevoerd omdat kiezers anders te veel invloed op de persoonlijke samenstelling van de Tweede Kamer zouden hebben?

Bij de invoering van het evenredig kiesstelsel in 1917 wilden liberale politici dat de kiezer grote invloed zou hebben op de persoonlijke samenstelling van het parlement: de kiezer zou alle kandidaten op de kandidatenlijst moeten kunnen nummeren (Single-Transferable Vote) óf meerdere stemmen moeten kunnen verdelen over kandidaten van verschillende partijen. Hierdoor zouden Kamerleden onafhankelijk blijven van hun partij. Het compromis dat werd gesloten met andere partijen was minder ambitieus, maar nog altijd vergaand: kiezers kregen één stem, maar het aantal voorkeurstemmen zou wel volledig bepalend zijn bij de zetelverdeling.

Met groot succes: in 1918 werden vier kandidaten met voorkeurstemmen gekozen (ten opzichte van zestien in de daaropvolgende honderd jaar!). Dit schoot de massapartijen SDAP, ARP en RKSP in het verkeerde keelgat. Kiezers moesten volgens deze partijen ook weer niet te veel invloed hebben op de persoonlijke samenstelling van de Tweede Kamer. Kort na de verkiezingen voerden de partijen een voorkeursdrempel in. Sindsdien is de lijstvolgorde de facto bepalend.

…Sinds de jaren 80 zeventig tot tachtig procent van de Nederlanders voor referenda is?

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er al sinds 1967 sterke behoefte leeft onder Nederlandse kiezers voor politieke hervormingen (Andeweg en Irwin, 2014, p. 285). Het SCP voert al sinds jaar en dag meerjarig onderzoek uit naar de steun voor referenda. Sinds de jaren 80 is 70% tot 80% van de Nederland voorstander van referenda. Na het Oekraïne-referendum is de steun enigszins gedaald, maar in 2017 was nog altijd 69% van de Nederlanders voor het referendum (SCP, Sociale Staat van Nederland 2017). Deze daling deed zich overigens vooral onder academisch geschoolden voor, onder andere groepen bleef de steun voor referenda onverminderd hoog.

…Staatscommissies keer op keer invoering van het referendum bepleiten?

Sinds eind negentiende eeuw woedt er in Nederland al een discussie over invoering van het referendum. In al die tijd hebben diverse staatscommissie de wenselijkheid van referenda onderzocht en in bijna alle gevallen oordeelden ze hier positief over.

Al in 1918 adviseerde de Staatscommissie-Ruys de Beerenbrouck om een verplicht referendum in te voeren over wijzigingen van de grondwet en over de staatsvorm bij uitsterven van de koninklijke familie (p. 8). Een halve eeuw later oordeelde de Staatscommissie-Cals/Donner weliswaar tegen invoering van het correctief referendum en volksinitiatief, maar acht van de zeventien commissieleden spraken zich wel uit voor referenda.

Sindsdien hebben alle staatscommissies zich uitgesproken voor het referendum. De Staatscommissie-Biesheuvel schaarde zich in 1985 daarentegen unaniem achter de invoering van het bindend correctief referendum en volksinitiatief (p. 10-11). In 1993 werd het referendum opnieuw onderzocht door de Staatscommissie-Koning, ook zij sprak zich uit voor het referendum. De nationale conventie – een adviesorgaan ingesteld om kabinet-Balkenende II te adviseren over hervormingen van het politiek stelsel – adviseerde in 2005 tot invoering van het bindend correctief referendum en een verplicht referendum over grondwetswijzigingen (p. 16). De meest recente staatscommissie, de Staatscommissie parlement stelsel (onder voorzitterschap van Johan Remkes), heeft in een tussenrapport laten weten dat zij de invoering van een bindend correctief referendum steunt.

... dat de conservatief-liberale en christen-democratische stromingen – VVD en CDA met name, ofwel kerk en kapitaal - niet alleen moeite hebben met referenda maar met met democratie in het algemeen?

Ze verzetten zich destijds ook tegen de invoering van het algemeen stemrecht in Nederland. Het kwam er alleen doordat de socialisten er een speerpunt van maakten en tot een stemmenruil met de voorlopers van CDA en VVD kwamen. Nu zie je dat dezelfde partijen zich ook met vergelijkbare argumenten als toen, tegen referenda verzetten.

…Er nog nooit een kabinet was dat zo weinig aandacht had voor democratische vernieuwing als Rutte III?

Bestuurskundigen Arco Timmermans en Gerard Breemans (2017) onderwierpen alle regeringsakkoord sinds 1963 aan een systematische analyse om te achterhalen aan welke thema’s veel of weinig aandacht werd besteed. Van alle deze kabinetten besteedde Rutte III het minste aandacht aan democratische vernieuwing – ondanks de regeringsdeelname van D66.

…Er op lokaal niveau al 172 referenda zijn geweest?

Op nationaal niveau wil het nog niet vlotten, maar op lokaal niveau zijn er sinds 1906 al 172 referenda geweest. Lokale overheden zijn vrij om zelf in te vullen hoe ze met referenda omgaan, zolang de uitslag niet bindend is. Daardoor bestaan er grote verschillen tussen gemeentes. Meer dan honderd gemeentes en zes provincies een referendumverordening. In drie gemeentes – Amsterdam, Nijmegen en Oosterhout – is zelfs het volksinitiatief ingevoerd. Sinds 1906 vonden 172 lokale referenda plaats (klik hier voor een overzicht en analyse). De opkomst week nauwelijks af van die van de raadsverkiezingen.

Er zijn geen plannen om de vrijheid van gemeentes op dit punt in te perken. Tijdens het algemeen overleg democratische vernieuwing in de Tweede Kamer stelde Kajsa Ollongren – minister van binnenlandse zaken – dat het lokale raadgevend referendum een “hartstikke mooi instrument” is. Ongeacht de toekomst van het landelijke raadgevend referendum, zal de lokale praktijk hoe dan ook voort blijven bestaan. 

... dat Nederland gegrondvest werd als republiek en de monarchie ons door de vijand is opgedrongen?

Nederland zwoor in 1581 koning Filips II van het Spaanse Rijk af en koos er in 1588 voor om verder te gaan als republiek. Nederland was toen één van de eerste republieken in de wereldgeschiedenis! De provincies waren soeverein en het centrale gezag – de Staten-Generaal en Raad van State – was zwak. Afgevaardigden naar de Staten en Staten-Generaal waren belast met een steminstructie en moesten bij twijfel of onenigheid terugreizen naar hun provinciehoofdsteden voor “ruggespraak”.

Pas de binnenvallende Fransen onder Napoleon voerden de monarchie weer in (“Koninkrijk Holland”, 1806) alsmede de centrale eenheidsstaat. En beide bleven... Nadat de Fransen bij Waterloo in 1815 definitief verslagen waren, besloten de Europese grootmachten verenigd in het Concert van Wenen dat Nederland een monarchie moest blijven. Want zij wilden een sterk conservatief koninkrijk ten noorden van Frankrijk voor het geval de Fransen weer revolutionaire aspiraties kregen... De monarchie en de centrale eenheidsstraat zijn ons opgedrongen door buitenlandse (vijandige) mogendheden die daarbij niet het belang van de Nederlanders op het oog hadden!