Hoe ziet het ideale referendum eruit? | Meer Democratie

Hoe ziet het ideale referendum eruit?

Het ideale referendumsysteem zal niet in één keer in Nederland kunnen worden ingevoerd. Het verplichte referendum, het correctief referendum en het volksinitiatief werden in Zwitserland ook stapsgewijs ingevoerd (in 1848, 1874 en 1891).

Maar wat politici wel kunnen doen, is áls ze eenmaal een vorm van referendum invoeren, dit te doen met goede en eerlijke spelregels. De waarde van het referendum staat of valt met de spelregels. Politici dienen zich te realiseren dat slecht of oneerlijk vormgegeven referenda averechts werken en alleen maar apathie en cynisme creëren onder de burgers. Dat moet niemand willen.

Wat zijn goede en eerlijke spelregels?

Bindende uitkomst

Referenda horen altijd bindend te zijn - het is immers de soeverein die spreekt. Het volk heeft niet altijd gelijk, maar in een democratie moeten haar uitspraken wel gerespecteerd worden. De meerderheid van de Tweede Kamer heeft immers ook niet altijd gelijk, maar de regering moet haar wil wel respecteren, anders is het einde zoek. In Zwitserland, Amerikaanse deelstaten, Duitsland etc. zijn referenda altijd bindend.

Ook volksinitiatieven en verplichte referenda

Niet alleen correctieve referenda moeten mogelijk zijn, maar ook volksinitiatieven (referenda over door burgers aangedragen voorstelllen). Over sommige fundamentele vragen, zoals grondwetswijzigingen of overdracht van nationale soevereiniteit aan internationale organisaties, moet altijd een verplicht referendum gehouden worden.

Geen uitgezonderde onderwerpen

Er mogen geen uitgezonderde onderwerpen zijn. De Tweede Kamer kan uiteindelijk ook elke wetgeving aannemen of de grondwet wijzigen zoals ze wil, en in een democratie kunnen volksvertegenwoordigers nooit meer rechten hebben dan de bevolking. De rechten van de volksvertegenwoordiging zijn immers afgeleid van die van de bevolking. In Zwitserland en Amerikaanse deelstaten zijn nauwelijks uitgezonderde onderwerpen: men kan het kiesstelsel wijzigen, de begroting wijzigen, belastingen afschaffen of verhogen, het leger afschaffen, enz.  (dit zijn werkelijke gevallen).

Redelijke handtekeningendrempel

De handtekeningendrempel moet redelijk zijn (b.v. 150.000 op nationaal niveau), de termijn moet voldoende lang zijn (minimaal 3 maanden) en ze moeten zowel op straat als via internet kunnen worden ingezameld. Nederland heeft een goed systeem voor digitale handtekeningeninzameling: DigiD.

Geen opkomstdrempel

Er is geen opkomstdrempel. Niet-stemmen moet gezien worden als een recht, en het aantal kiezers bij een referendum is altijd duizenden malen groter dan de 150 parlementariërs die normaal over wetten beslissen.

Meerkeuzereferenda

Er zijn slimme manieren om meerkeuzereferenda te organiseren. Bij Zwitserse volksinitiatieven kan het parlement een tegenvoorstel naast het oorspronkelijke burgervoorstel zetten. Bij het referendum worden dan drie vragen gesteld:

  1. Bent u voor het volksinitiatief? (Ja/Nee)

  2. Bent u voor het tegenvoorstel? (Ja/Nee)

  3. Indien beide een meerderheid krijgen, welke prefeert u dan?

Hierdoor hebben burgers 3 keuzes (naast de twee voorstellen kan men ook twee keer ‘nee’ stemmen en dus de bestaande situatie prefereren).

Het is wel belangrijk dat politici niet arbitrair kunnen bepalen waar referenda over gaan. Plebiscieten (top-down referenda die arbitrair door de heersende politici worden uitgeschreven) worden het beste helemaal vermeden.

Onafhankelijke referendumcommissie

Er is een onafhankelijke referendumcommissie die objectief informatiemateriaal verstrekt – bijvoorbeeld een referendumbrochure - waarin voor- en tegenstanders gelijke ruimte krijgen. De referendumbrochure wordt huis-aan-huis bezorgd.

Publieke middelen voor debat

De regering verstrekt eventueel subsidie in gelijke mate aan voor- en tegenstanders, en eventueel een budget voor neutrale informatieverstrekkers.. Als de regering publiek geld gebruikt om campagne voor een ‘ja’ of ‘nee’ te voeren, dan krijgt de andere zijde evenveel middelen. Dat is niet nodig als de regering geen geld uitgeeft aan inhoudelijk campagnevoeren, maar ministers bijvoorbeeld alleen maar interviews geven aan de media (free publicity). Op soortgelijke wijze kan de regering zendtijd aan voor- en tegenstanders ter beschikking stellen op de publieke TV en radio.