Feiten over partijpolitieke benoemingen | Meer Democratie

Feiten over partijpolitieke benoemingen

  • Uit opinieonderzoek, in mei 2015 verricht door I&O Research in opdracht van Meer Democratie, blijkt dat 60 procent van de Nederlanders partijpolitieke benoemingen ongewenst vindt. Zeventig procent is voorstander van het Engelse systeem, waarin een van de regering onafhankelijke commissie de onpartijdigheid, eerlijkheid en openheid van alle publieke benoemingen bewaakt.

  • Artikel 3 van de Grondwet stelt: “Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.” Artikel 1 verbiedt discriminatie op o.a. politieke gronden. Maar in de Algemene Wet Gelijke Behandeling hebben de politieke partijen speciaal voor partijpolitieke benoemingen in het openbaar bestuur een uitzondering opgenomen (artikel 5 lid 4). Hierdoor kunnen benadeelden niet naar de rechter of het College voor de Rechten van de Mens stappen.

  • Uit omvangrijk onderzoek van politicoloog Nico Baakman naar publieke benoemingen tussen 1900 en 2000 blijkt dat de partijpolitieke benoemingen ver reiken. Het gros van de burgemeesters, Commissarissen der Koning(in), leden van adviesraden en ad-hoc commissies, de hogere ambtenaren op de ministeries, bestuurders van de publieke omroepen, enz., wordt partijpolitiek benoemd. Van de zelfstandige bestuurs- en adviesorganen zijn er honderden: van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Sociaal-Economische Raad tot het Commissariaat voor de Media en de Raad voor het Openbaar Bestuur.

  • Pas sinds de jaren ’70 is dit verschijnsel de norm geworden. Daarvoor kwamen partijloze functionarissen nog regelmatig voor. Tot 1967 waren er partijloze kabinetsleden. Terwijl de politieke partijen steeds minder leden kregen, versterkten ze hun greep op de overheid door het gros van de publieke functies onder elkaar te verdelen.

  • De partijen die regelmatig in de regering zitten – VVD, PvdA, CDA en D66 – eisen het leeuwendeel van de benoemingen in het openbaar bestuur op.

  • 97,5 procent van de kiesgerechtigde Nederlanders is geen lid van een politieke partij. Van de 2,5 procent die wel lid is, is slechts een deel lid van een ‘gouvernementele’ partij en daarvan is weer slechts zo’n 10 procent actief. Hieruit blijkt hoe ridicuul klein de vijver is waaruit gevist wordt voor de belangrijke publieke functies.

  • De praktijk van partijpolitieke benoemingen is vergaand geïnstitutionaliseerd. Het Bureau Algemene Bestuursdienst, dat direct onder de minister van Binnenlandse Zaken valt, fungeert als vacaturebank voor partijpolitieke benoemingen. De Kamerfracties van de grote politieke partijen hebben sinds lang een fractielid belast met het regelen van partijpolitieke benoemingen, met name burgemeesters.

  • Sinds 2001 hebben de gemeenteraden een grotere rol in het benoemingsproces van burgemeesters: zij doen een voordracht. Maar de grote landelijke partijen blijven de toon aangeven: Nu.nl becijferde in 2014 dat van de circa 400 gemeenten, er 336 een burgemeester hebben die lid is van CDA, PvdA of VVD. De lokale partijen kregen in 2010 24 procent van de stemmen, maar leverden slechts 12 burgemeesters (3%). Alle huidige commissarissen van de koning hebben een partijllidmaatschap. Van vrijwel alle secretarissen-generaal van de ministeries konden wij een partijlidmaatschap terugvinden.

  • De media besteedden recent veel aandacht aan de benoeming van de nieuwe partijloze burgemeester van Maastricht: Annemarie Penn – te Strake. Hoewel verheugend valt er iets te relativeren. Ze is gelieerd aan de Senioren Partij Maastricht (de grootste partij) en op verzoek van die partij leidde zij de onderhandelingen van de coalitie waaraan die partij nu deelneemt.

  • In 1998 adviseerde de Raad voor het Openbaar Bestuur (zelf partijpolitiek samengesteld) de afschaffing van partijpolitieke benoemingen in het rapport “Tussen staat en electoraat”: “De facto [is] het lidmaatschap van één der grote politieke partijen een noodzakelijke voorwaarde voor een benoeming in tal van openbare functies.” Volgens de Raad was er een “op termijn steeds grotere spanning met artikel 3 van de Grondwet dat bepaalt dat alle Nederlanders op gelijke voet in openbare dienst benoembaar zijn”.

  • In 2006, in het rapport “Benoemingen in het openbaar bestuur”, gaf de Raad nog steeds toe dat benoemingen grotendeels partijpolitiek werden ingevuld, maar bagatelliseerde ze dit en praatte ze het zelfs goed.

  • In 2005 publiceerde Kamerlid Wijnand Duyvendak het boek ´Schaduwmacht in de schijnwerpers´, over de werkwijze en samenstelling van de vele tientallen ad hoc commissies die regeringen telkens weer instellen bij problemen of crises. Hier duiken telkens weer dezelfde namen op van een kleine groep mannen (verreweg), steevast lid van een van de grote politieke partijen en steevast senator, commissaris van de Koningin, burgemeester of minister geweest

  • In 2013 bekritiseerde de Commissie Behoorlijk Bestuur onder voorzitterschap van Femke Halsema ook de praktijk van partijpolitieke benoemingen: “Een bijkomend, en te vaak onderschat of zelfs vergoelijkt probleem in de semipublieke sector is de manier waarop coöptatie verloopt: te vaak vindt selectie van nieuwe bestuurders en toezichthouders plaats via ondoorzichtige invitatie. Hier functioneert een old boys network waarin men elkaar banen ‘toespeelt’ en de politieke affiliatie een grotere rol speelt dan competenties.”